Verandering is de enige constante, dat leerde de Griekse filosoof Heraclitus ons al. Nu we te maken hebben met een pandemie, gaan sommige veranderingen nog sneller dan voorheen. Zoals onderwijsinnovatie. Hoe snel gaat die precies, hoe zit het met onze wendbaarheid en hoe en wat leren we van verandering? Deze en soortgelijke vragen komen aan bod in Leren van verandering: HU Onderwijsmanagement en Corona, een HU-breed onderzoek dat onlangs is gestart. Opdrachtgever en directeur OO&S Wichert Duyvendak legt uit wat het doel is van dit onderzoek.
“Eerst even de context”, stelt Wichert. “In 2018 heeft de ITK – instellingstoets kwaliteitszorg – plaatsgevonden en in 2019 hebben we het goedkeuringsstempel gekregen van de NVAO. Een van hun aanbevelingen was dat we de onderwijsinnovatie goed moeten monitoren en waar nodig bijsturen. Wat leren we als management van onderwijsinnovatie? Welke data kunnen we ophalen om te bepalen of we de goede dingen doen en of we de dingen goed doen? Dat doen we nu met dit onderzoek.”
Data-gedreven onderzoek
In de onderwijsvisie van de HU, het ambitieplan HU in 2026 en ook in de recente houtskoolschets van de toekomst heeft het verstandig gebruikmaken van data een prominente rol. Data-gedreven werken wordt binnen de HU steeds belangrijker. Omdat we steeds meer onze beslissingen op data baseren, is dat het uitgangspunt in dit onderzoek. Doel is een instrument te ontwikkelen dat instituten helpt de opbrengsten van onderwijsinnovatie doelgericht te evalueren, dat hen ondersteunt in het leren van de wijze waarop ze innovatie aanpakken en dit te gebruiken voor hun kwaliteitsontwikkeling. Het is de bedoeling hiermee een systematiek te ontwikkelen om de opbrengsten van onderwijsinnovatie op vaste momenten in kaart te brengen. Ook worden de randvoorwaarden onderzocht om de aan- of afwezigheid van opbrengsten te verklaren. Dit alles moet het onderwijsmanagement ondersteunen in het maken van beleidskeuzes.
Enquête en gesprekken
Alle instituutsdirecteuren en opleidingsmanagers zijn begin juli gevraagd deel te nemen aan het onderzoek door een enquête in te vullen. Docenten worden vanaf september bevraagd, later volgen de studenten. Centraal staat de vraag: Zijn de randvoorwaarden om te leren van verandering op orde? De enquête bevraagt over de mate waarin de organisatie is toegerust om te veranderen, leert van verandering en bereid is om te veranderen. Kenniscentrum LENI is betrokken bij het opstellen van het onderzoek en straks bij het interpreteren van de data, zodat de wetenschappelijke validiteit gegarandeerd is.
“In focusgroepen gaan we dieper in op de resultaten. Juist door het voeren van deze gesprekken geven we betekenis aan deze resultaten. We zullen die daarom geregeld terug laten komen”, vertelt Wichert. Het TLN (teaching & learning network) heeft hier een belangrijke rol in. Zij kunnen instituten verder helpen met het werken aan de ontwikkelvragen die tijdens deze gesprekken naar verwachting aan de orde komen. TLN wil haar aanbod hierop richten en kan teams ook coachen als daar behoefte aan is.
Verwachte opbrengst
Deelname aan het onderzoek is niet verplicht maar wordt aangemoedigd. “Inzicht in de innovatiekracht, essentieel in de snel veranderende kennismaatschappij, heeft veel meerwaarde voor de instituten zelf. Ik hoop en verwacht dan ook dat dit onderzoek bijdraagt aan de verdere kwaliteit van het onderwijs en daarmee aan studentsucces.” Wichert is daar positief over: “Er lijkt binnen de HU een grote honger te zijn om te leren, dat heb ik zeker in de laatste maanden veel gezien.” De uitkomsten van de enquête worden half oktober verwacht. Het onderzoek onder het onderwijsmanagement leidt tot een rapportage per instituut en tot een HU-brede (openbare) rapportage. De enquête voor docenten leidt tot een rapportage per instituut. Wanneer voldoende instituten deelnemen, kunnen de resultaten HU-breed worden geanalyseerd.