Hoe komen de kwaliteitsgelden ten goede aan ons onderwijs? De bacheloropleiding Verpleegkunde ontwikkelde er onder andere cursussen mee die twee belangrijke drempels helpen wegnemen: stress bij stages en bij praktijktoetsen. Alleen al het delen van problemen doet veel, ontdekten Otto-Jan Bikker en Petra van Jaarsveld. “Studenten die studenten helpen, dat is toch wel het mooiste.”
Verpleegkunde leer je voor een groot deel in de praktijk, met stages en praktijktoetsing. De een voelt zich daarbij als een vis in het water, terwijl het voor de ander een enge sprong in het diepe is. Sommige studenten levert het zoveel stress op dat ze niet goed meer kunnen leren. Om hen te helpen, investeerde de opleiding Verpleegkunde in speciale trainingen. Zoals de cursus ‘Sterk op Stage’, waar docent Petra van Jaarsveld bij betrokken is.
Je neemt altijd jezelf mee
Stage lopen is voor sommige studenten erg lastig. Met name voor beginnende studenten, vertelt Petra. “Hbo-verpleegkundigen werken op niveau zes. Dan loop je rond in je eerste stage en zegt een professional van niveau twee tegen je: ‘Oh, dus jij wordt later mijn leidinggevende?’ Dat is nogal wat als je zeventien bent. Hoe reageer je daar op? Wat doet zoiets met je? Sommige studenten zijn van zichzelf niet zo assertief. Hen lukt het niet altijd op de werkvloer op te komen voor hun leerproces. Anderen zijn perfectionistisch en willen alles in één keer goed doen. Die staan de stap ‘leren’ het liefst over en leggen zo veel te veel druk op zichzelf. Daar moet je als student iets mee. Je kan niet tachtig dagen lang een toneelstukje opvoeren. Je komt onherroepelijk jezelf tegen.”
Cursus tegen stagepijn
Sommige van deze studenten krijgen een onvoldoende voor hun stage. Waardoor ze nóg meer gaan opzien tegen stagelopen. Deze studenten hebben op dit gebied wat meer ondersteuning nodig dan het reguliere onderwijs hun kan bieden. Voor deze studenten is de cursus Sterk op Stage. “Voorafgaand houden we een uitgebreide intake: waar loop je tegenaan, is er onderliggende problematiek? Als je besluit de cursus te doen, moet je er alle avonden bij zijn. Je gaat dit samen aan en moet het samen doorzetten. Dat is heel belangrijk, want de studenten halen het meeste uit lotgenotencontact.”
Aan het begin van de cursus formuleren de deelnemers concrete leerdoelen, waar ze samen aan gaan werken. Uitgangspunt daarbij is – ontleend aan de Rationeel-Emotieve Therapie (RET) – dat niet een gebeurtenis zelf, maar de gedachte over die gebeurtenis zorgt voor blokkades. Petra: “Ik denk niet dat ik dit kan; als ik dit fout doe, gaat er vast nog veel meer mis: dat soort gedachten kan je leren sturen. We oefenen dit aan de hand van situaties die studenten zelf hebben meegemaakt tijdens hun stages. Veel dingen die ter sprake komen, zijn voor anderen heel herkenbaar. Daar halen ze veel steun uit. Studenten die studenten helpen, dat is toch wel het mooiste.” De cursus maakt gebruik van de Roos van Leary, een model dat inzicht geeft in welke posities je kunt innemen in een gesprek en wat daarvan de effecten zijn. Ten slotte oefenen de studenten met een trainingsacteur. Al met al is het een intensief traject – maar het levert ook veel op, en niet alleen voor de stages, stelt Petra. “Je merkt dat studenten meer zelfvertrouwen hebben en meer durven. Daar heb je blijvend wat aan.”
Faalangst
Een ander onderdeel van de opleiding waar studenten geregeld op vastlopen, is de praktijktoetsing. Studenten moeten er hun professioneel handelen en communiceren toetsen in een setting met een trainingsacteur, terwijl twee docenten docent observeren. “We merkten dat veel studenten vastliepen bij deze toets. Niet omdat ze de competenties missen, maar omdat ze lijden aan stress en faalangst”, vertelt docent Otto-Jan Bikker. “Tegelijkertijd is het een situatie die ook in de praktijk voorkomt; ook daar word je geobserveerd en ontvang je feedback. Het is dus zinvol anders te leren omgaan met de spanning, in plaats van deze situaties te vermijden.” Samen met coach en trainingsacteur Roos Diependaal ontwikkelde hij een cursus van drie ochtenden. “Eerst delen de studenten met de groep waar ze precies tegenaan lopen. Zo krijgen we beter zicht op het probleem én zien de studenten dat ze niet alleen staan in hun problemen. Zo ontstaat er al meer lucht en ruimte. Vervolgens gaan we oefenen met faalfitness, oefeningen waarin je leert anders naar het concept ‘falen’ te kijken en het anders gaat ervaren. Omdat iedereen in hetzelfde schuitje zit, voelen studenten zich al snel veilig.”
Je ziet dat het werkt
Otto-Jan vertelt als docent ook over eigen ervaringen. “Faalangst en perfectionisme gaan vaak samen. Als het misgaat, kun je blokkeren. Terwijl vallen en opstaan inherent zijn aan leren. Sommige studenten hebben het idee dat alles bij anderen studenten vlekkeloos gaat – en bij ons, docenten, al helemáál. Het delen van persoonlijke ervaringen kan dit beeld doen kantelen, ze durven daardoor meer van zichzelf te laten zien. Een van onze motto’s is dan ook: Fouten maken moed – de titel van een boek van het Instituut voor Faalkunde.”
“Sommige van onze studenten zijn al vier of vijf keer gezakt voor een toets. Het slagingspercentage na deze cursus is heel hoog, rond de 90 procent. Je ziet dus dat het werkt. Maar de opbrengst gaat verder dan een toets kunnen halen. Studenten leren bij ons zich meer open te stellen, ze durven erna meer te vertellen én te vragen en meer lastige situaties aan te gaan. Daar heb je blijvend wat aan in het leven.”