In een gesprek over de continuering van het lectoraat Normatieve Professionalisering zei lector Cok Bakker onlangs: “Studentsucces is meer dan alleen maar zo efficiënt mogelijk na vier jaar de eindstreep halen van een opleiding. Een succes is ook dat je erachter komt wie je bent, dat je leert omgaan met tegenslagen en creatief leert zijn.” Maar hoe leid je op voor deze persoonlijke vorm van studentsucces? En hoe belangrijk is dit voor een beroepsopleiding?
“Wij verstaan als hogeschool onder studentsucces meer dan het bijbrengen van de kennis en vaardigheden waarmee je een bepaald beroep kunt uitvoeren. Studentsucces gaat bij ons ook over persoonlijke vorming”, stelt Cok Bakker. Klinkt mooi. Maar veel studenten komen toch naar de HU met het idee: ik wil journalist worden, of accountant? Die komen om een beroep te leren, niet voor zelfontplooiing. “Natuurlijk. Maar ook hen help je in hun professionele ontwikkeling door ze op hun persoonlijkheid aan te spreken. Oké, jij wilt accountant worden. Maar wat denk je precies dat dat vak inhoudt, hoe gaat dat vak jou vormen en hoe ga jij dat vak vormen? De praktijk ziet er vaak heel anders uit dan studenten denken. Zeker nu beroepen zich voortdurend en in hoog tempo ontwikkelen. Dus wat versta jij dan onder ‘accountant worden’? Misschien heb je er wel meer aan te weten wie je als persoon wil worden.”
“Natuurlijk willen en moeten we als hogeschool aansluiten op de laatste ontwikkelingen in een beroepenveld. Maar zoals gezegd, beroepen blijven zich ontwikkelen. Het is daarom nóg belangrijker dat we studenten opleiden tot flexibele, adaptieve professionals. Dan heb je het minder over kennis bijbrengen en meer over persoonsvorming.”
Vergelijk het met een topvoetballer
De aandacht voor persoonsontwikkeling is niet nieuw, stelt Bakker. “De vorige minister van OCW, Jet Bussemaker, sprak al over ruimte voor Bildung. Dit wordt echter vaak opgepakt als ‘extra vak’, terwijl persoonsontwikkeling volgens mij veel meer in die beroepsopleiding vervlochten moet worden. Daarnaast zie je grote verschillen tussen vakgebieden. Bij maatschappelijk werk en de lerarenopleidingen bijvoorbeeld is de aandacht voor de ontwikkeling van het individu veel meer geaccepteerd dan in de bouw of bij finance & accountancy. Terwijl het voor alle beroepenvelden relevant is. Ons lectoraat onderzoekt momenteel de professionaliteit van vastgoedtaxateurs. Het vak van taxateur bestaat voor een groot deel uit beeldvorming, oordeelsvorming. Het is niet meer dan logisch dat de persoon van de taxateur hierin een rol speelt: persoonlijke smaak, het belang dat wordt gehecht aan duurzaamheid; er zijn veel factoren waarin subjectiviteit een rol speelt. De reflex in de beroepspraktijk is vaak om deze factoren in een protocol te gieten, ze te objectiveren. Maar een protocol moet ook weer geïnterpreteerd worden. Subjectiviteit speelt altijd een rol. Dan kun je dus maar beter professionals opleiden die zich hiervan bewust zijn. Die vanuit hun persoonlijke ontwikkeling het vak positief kunnen invullen en verder helpen.”
“Vergelijk het met een topvoetballer. Om een topper te worden, moet die niet alleen de regels van het spel kennen maar binnen die regels iets eigens doen, zijn virtuositeit laten zien. Als hogeschool moeten wij opleiden om mensen die virtuositeit te laten toepassen.“
Punten voor zelfontplooiing?
Dat is een behoorlijke uitdaging, geeft Cok toe. “We worden geacht in het onderwijs dingen afgepast te doen, in blokken waaraan studiepunten zijn verbonden. Logisch, maar binnen die kaders is het lastig ruimte te creëren voor persoonsontwikkeling. De subjectieve kant van professional worden, is natuurlijk ook moeilijker te toetsen dan vakkennis. Maar dat wil niet zeggen dat we het niet moeten doen. Ik geloof echt dat dit wel de weg is die we moeten gaan om de professionals van morgen te kunnen opleiden.”
Benoemen wat niet goed gaat
Opleidingen zien het belang van persoonsontwikkeling, de beroepspraktijk ook – in het ene werkveld meer dan het andere. Maar hoe zit het met de studenten? Hebben die hier behoefte aan. “De huidige generatie is sterk gemotiveerd tot zelfbeschouwing”, stelt Cok. “Er zijn veel problemen in de wereld – het milieu, sociale ongelijkheid, polarisatie. Tegelijk lijkt op sociale media iedereen succesvol en gelukkig. Dit alles heeft een verlammend effect op jongeren. Ze zijn op zoek naar hun positie in de maatschappij, naar zingeving. Dat zien we terug in ons onderwijs. Bijvoorbeeld bij de populaire minor Filosofie. Wereldgodsdiensten. Spiritualiteit, ontwikkeld door onze onderzoeker Edwin van der Zande. Daar zijn studenten een half jaar bezig met zichzelf, met wereld- en levensbeschouwing en met hoe die zich verhouden tot hun beroep. Al gaande durven ze daar steeds meer te benoemen wat niet goed gaat in hun leven. Ze durven hun problemen en fouten te laten zien. Daarmee groeien ze niet alleen persoonlijk maar ook in hun professionaliteit. Dat is volgens mij de kern van het studentsucces zoals de HU dat voorstaat.”
Motivatie en rendement
Dit studentsucces is dus heel wat anders dan studierendement. Maar het kan wel bijdragen aan dat rendement, stelt Cok. “Kijk maar eens naar de I WILL-campagne die de Erasmus-universiteit opzette om de hoge studie-uitval terug te dringen. In dat project werden nieuwe studenten vanaf week één stelselmatig gevraagd naar hun doelstellingen. Waarom heb je deze studie gekozen? Wat wil je ermee bereiken? Een half jaar lang werden de eerstejaars gecoacht op het scherp krijgen van die doelstellingen. Zo’n aanpak doet iets met je commitment. De studie-uitval kelderde. Persoonlijke vorming betekent immers ook dat je studenten laat nadenken over waarom ze voor een studie kiezen. Wat wil ik bereiken voor mijzelf en voor mijn beroep? Als een student de antwoorden op die vragen voor zichzelf helder krijgt, helpt dat enorm in de motivatie.”
Ruimte creëren
Wat moet de HU doen om persoonlijke vorming en daarmee studentsucces mogelijk te maken? “Allereerst: ruimte creëren. Studentsucces ontstaat waar ruimte is voor zelfontplooiing. Dat vraagt erom dat je dingen open laat in je opleiding. Daar is lef voor nodig maar het levert uiteindelijk veel op – voor de student, voor de beroepspraktijk en voor onze hogeschool.”