“Als de wereld vergaat, ga dan naar Nederland, daar gebeurt alles vijftig jaar later.” Deze spreuk, toegekend aan de Duitse dichter Heinrich Heine, is natuurlijk onzin. Nederland heeft op economisch en maatschappelijk gebied een sterke positie in de wereld. Maar er zijn zaken waarin wij wel degelijk achterlopen. Zoals in ons onderwijs aan werkende professionals. En laat nou juist dat onderwijs ontzettend belangrijk zijn voor het behouden van onze sterke positie.
Waarom loopt Nederland zo uit de pas met blijvende scholing voor werkende professionals, ofwel een leven lang leren? Daar zijn twee redenen voor. Allereerst is ons postinitiële onderwijs voor werkenden niet flexibel genoeg. Een studie volgen naast je werk vraagt om flexibele uren, om leren op de werkplek, om verschillende instapmomenten voor opleidingen. De HU is hard bezig deze noodzakelijke flexibiliteit in te bouwen in haar organisatie en opleidingen. Zo’n 80 procent van onze opleidingen werkt aan een voor haar doelgroep optimale mix van leren in de klas, op de werkplek en op afstand (blended learning). We ontwikkelen flexibele, modulaire programma’s waarin ieder zijn eigen studietempo kan volgen. Een tweede reden voor onze achterstand heeft te maken met de bekostiging. Op enkele opleidingen in zorg en onderwijs na zijn hbo-masters niet bekostigd, wat ze duur maakt om te volgen.
Op 15 juni startte het Landelijk Platform Professionele Masteropleidingen vanuit de Vereniging Hogescholen een offensief om de professionele master op de kaart te zetten. Dat gebeurde tijdens de Invitational Conference Masteronderwijs 2016, waar het Actieplan Professionele Masters werd aangeboden aan minister Jet Bussemaker van OCW. De minister bleek gelukkig doordrongen van het belang van meer goede hbo-masters en kondigde bij die gelegenheid aan dat er meer ruimte komt voor bekostigde hbo-masters.
Dat is een kans die het hbo moet grijpen. Maar dat kunnen we niet alleen. In haar Advies over de Strategische Agenda Hoger Onderwijs 2015 – 2025 aan het ministerie van OCW stelt de Sociaal Economische Raad (SER): “De raad beveelt onderwijsinstellingen aan het bedrijfsleven naar binnen te halen, naar het hart van het onderwijs (bijvoorbeeld in het stakeholdersoverleg) om de buitenwereld bij te laten dragen aan een grotere kwaliteit van het hoger onderwijs.” Goede raad. Alleen door structureel samen te werken met de beroepspraktijk, kunnen we blijvend inspelen op nieuwe ontwikkelingen in die beroepspraktijk en professionals hier effectief voor opleiden. De HU heeft gelukkig al diverse masters die dit waarmaken, zoals de master ICT en de master Forensisch Sociale Professional.
Als de beroepspraktijk de ene pijler is waar elke master op zou moeten rusten, is praktijkgericht onderzoek de ander. Hbo-masterniveau houdt in dat jij als professional je onderzoeksvaardigheden eigen maakt, zodat je de beroepspraktijk blijvend kan vernieuwen. Jacqueline Bosker, mede-ontwikkelaar en docent van de masteropleiding Forensisch Sociale Professional, zei daarover: “We willen een groep professionals opleiden die een veel actievere rol speelt in de innovatie van het vak. Zij zijn eigenlijk de verbindingsofficieren tussen wetenschap en praktijk. Ze zijn dus ook in staat om te reflecteren en aan wetenschappers en beleidsmakers terug te geven hoe innovaties en vernieuwingen uitpakken in de praktijk.”
Van dat soort professionals heeft de beroepspraktijk er meer nodig om concurrerend te blijven. We weten dat de motivatie onder professionals er is. Wij hebben als hogeschool de knowhow en kennis. Met de ruimere bekostiging van masters en de flexibilisering van ons onderwijs moeten we de drempel voor een leven lang leren nu definitief verlagen, samen met de beroepspraktijk. Zodat men voortaan zegt: als je de toekomst wilt zien, ga dan naar Utrecht.
Jan Bogerd