Het is hartje herfst. De bomen kleuren geel, rood en bruin. Het najaar begon op 1 september. Voor ons begon op die dag echter ook een beetje de lente. Onze campus werd toen, bij de start van het studiejaar, weer overspoeld door jonge mensen met frisse ambities, nieuwe energie, dromend van een mooie toekomst. Na de lente wordt het normaal gesproken zomer, een tijd van vruchten plukken. Helaas valt in het onderwijs na de lente voor sommigen alweer de herfst in. In de eerste honderd dagen vallen veel nieuwe studenten uit, zoals momenteel de bladeren van de bomen.
Waarom? Soms omdat ze een studie kozen die niet zo goed bij hen past. Of omdat de overgang naar het hbo tegenviel. Hier ligt een taak voor ons als hogeschool. Maar er zitten ook factoren waar wij – en onze studenten – weinig invloed op hebben. Zo ervaren studenten steeds meer stress door een combinatie van financiële zorgen en prestatiedruk. De invoering van het leenstelsel heeft daar een grote rol in gespeeld. Studenten bouwen een flinke studieschuld op en voelen zich genoodzaakt hun studie snel en efficiënt af te ronden, vaak naast een stevige bijbaan. Lange dagen, geldzorgen, nauwelijks ruimte voor ontspanning; dat is niet vol te houden – en veel studenten houden het dan ook niet vol.
Meer tijd, meer lucht: dát is wat studenten nodig hebben om succesvol te kunnen zijn in hun studie – en daarmee ook in hun werk. Je zou verwachten dat de overheid dit belang ziet en hierin investeert. Nederland wil immers een kenniseconomie zijn; een economie met kennis als onze belangrijkste grondstof, en informatie en innovatie als belangrijkste productiefactoren. Die economie is niet alleen een voorwaarde voor onze internationale concurrentiepositie en onze welvaart; kennis is ook hard nodig om de maatschappelijke vraagstukken waar wij voor staan, te kunnen aanpakken. De stikstofcrisis. Het woningtekort. Het dreigende zorginfarct.
“Hoe hoog durf je te klimmen als je zuurstof zomaar weer kan worden afgenomen?”
Dit alles vraagt om investeringen. Het beleid staat daar echter haaks op. Tegenover tijdnood en geldzorgen worden constant bezuinigingsplannen gezet – en daarmee een constante dreiging van nog meer studiedruk en geldzorgen. En zijn er positieve ontwikkelingen, dan toont de politiek zich weinig koersvast. Minister Dijkgraaf was pleitbezorger van de kenniseconomie en maakte extra geld vrij, onder andere om structureel te investeren in studentsucces. Let wel: structureel. Zijn opvolger, minister Eppo Bruins, veranderde dat fijntjes in: incidenteel. De een legt een steen, de ander haalt hem weer weg. Het schaadt het vertrouwen en zet een rem op innovatie. Want hoe hoog durf je te klimmen als je zuurstof zomaar weer kan worden afgenomen?
Als er al een koers te ontdekken valt, dan is dat er een van verstrekkende bezuinigingen. De herfst dreigt inmiddels over te gaan in een koude winter. Normaal gesproken volgt op de winter weer de lente. En ja, volgend studiejaar wordt Utrecht vast weer overspoeld door jonge mensen met frisse ambities. Mensen die onze maximale steun verdienen, en het gevoel dat we naast hen staan. Maar hoeveel zullen er dit keer uitvallen? Zo heeft het onderwijs zijn eigen klimaatcrisis. Ook hier begint de oplossing bij de politieke wil te investeren. Met het vormen van een nieuwe regering, begint dan ook een belangrijke periode voor de toekomst van ons land. Het is hoog tijd voor structurele maatregelen. De kenniseconomie staat of valt immers met het succes van onze studenten, docenten en onderzoekers.
Wij blijven ons de komende jaren vol inzetten voor dat studentsucces. Maar we kunnen het niet alleen, als hogeschool. We hebben daar de steun van de overheid, sectorpartijen en bedrijven hard bij nodig.
Wilma Scholte op Reimer
Voorzitter College van Bestuur Hogeschool Utrecht